Het Stadsmuseum
De Museumkwestie en de historische collectie Tilburg

DE MUSEUMKWESTIE EN DE HISTORISCHE COLLECTIE TILBURG


Gepubliceerd op 3 november 1999 als bijlage van de gemeentelijke nota ´Miljoenen stukken en ontelbare bitjes. Kerntakennota en archiefbeleid Gemeentearchief Tilburg 2001-2006´.
Auteur: Ronald Peeters

Voorgeschiedenis

De Tilburgse museumcommissie

Aan de totstandkoming van de huidige collectie oudheidkundige- en schilderijenverzameling van de gemeente Tilburg en het Nederlands Textielmuseum gaat een verre voorgeschiedenis vooraf.
Al in het begin van de jaren twintig is er sprake van de oprichting van een stedelijk museum in Tilburg. Hierin zouden de aspecten kunst en geschiedenis speciale aandacht moeten krijgen. De oudste notitie die hierover handelt, vermoedelijk van de hand van de toenmalige gemeentearchivaris F. Ouwerling, spreekt onder andere over het inrichten van een weefkamer.(1) Er bestaat ook een getypte lijst uit die tijd waarin al enkele objecten worden genoemd die in aanmerking zouden kunnen komen voor plaatsing in dat toekomstige museum. Opmerkingen als ´De oude heer Koperberg (op den Heuvel) heeft nog een vest, dat Willem II gedragen heeft´ en ´Jac van Gorp, cartonnagefabrikant, Wilhelminapark, heeft nog een ouderwetse weegschaal, waarmee wol gewogen werd. Hij heeft deze voor het museum toegezegd´ maken duidelijk dat alles voor zo´n museum welkom was, als het maar curieus of oud was en enige relatie met de stad had.

Image

In 1924 werd een grote Internationale tentoonstelling van handel en industrie in Tilburg georganiseerd. Daar waren in een nagebouwde weverswoning met daarin een ´textielmuseum´ enkele objecten geëxposeerd die thans nog in de collectie van het Nederlands Textielmuseum berusten, onder andere een ´Portefeuille in rood linnen band met het opschrift EXPOSITION UNIVERSELLE PARIS 1878 … Bestaande uit 8 klappen waarop geplakt zijn 70 genummerde en geprijsde stalen van stoffen van Tilburgsche fabrikanten, ingezonden op bovengenoemde tentoonstelling´.

Een jaar later werd op 31 augustus 1925 door de gemeenteraad besloten om een commissie in het leven te roepen die de mogelijkheid en wenselijkheid van de oprichting van een museum in deze gemeente moest gaan onderzoeken.(2) De benoeming van de leden van deze museumcommissie volgde op 15 januari 1926. Het waren bekende notabelen uit de stad: dr. K.A.F. Deelen (voorzitter), A.J.A.C. van Delft (secretaris), P.M. Arts, H.C. van Beurden, P.C. de Brouwer, dr. Th. Goossens, F.H. Ouwerling, A.J. Prins en F. van Spaendonck. Vreemd genoeg werd het door deze museumcommissie uitgebracht rapport op 1 april 1927 door de gemeenteraad slechts voor kennisneming aangenomen. Toch is het de moeite waard om er hier iets nader op in te gaan om de latere beleidsvorming omtrent een Tilburgs museum beter te kunnen begrijpen.

De museumcommissie achtte het zeer wenselijk dat er een museum zou komen. Ook de bevolking heeft in een openbare vergadering in de toenmalige Koopmansbeurs positief op deze gedachte gereageerd. In zo´n toekomstig museum zou er behalve over de geschiedenis van de stad, met als belangrijkste hoofdstuk de geschiedenis van de textielindustrie, ook bijzondere aandacht geschonken moeten worden aan de beeldende kunst. Men dacht met name aan schilderijen die de 18e-eeuwse uit Tilburg afkomstige schildersfamilies Knip, Van Spaendonck en De Lelie hebben voortgebracht. Voor dit laatste element had men wel de steun van het rijk in gedachten. Op verzoek werd door de Rijkscommissie van advies inzake het museumwezen een rapport uitgebracht wat erop neerkwam dat men wel het beleid voorstond om voorwerpen uit de rijkscollecties beschikbaar te stellen voor nieuwe centra, maar dat men geen voorstander was van een op te richten oudheidkamer in Tilburg. Men achtte de objecten die in gemeentelijk bezit waren van weinig betekenis.(3) Bovendien bevonden zich in de rijkscollecties weinig zaken over Tilburg. De rijkscommissie zag ook niet graag een concurrerende positie met het Noordbrabants Museum in ´s-Hertogenbosch. Het advies van de rijkscommissie zal voor het Tilburgse gemeentebestuur wel de belangrijkste drijfveer zijn geweest om vooralsnog niet over te gaan tot het oprichten van een oudheidkamer of een stedelijk museum. De rijkscommissie vond het overigens wel een goede zaak om een aan de textielnijverheid gewijd museum in Tilburg op te richten. Dit naar aanleiding van de in het rapport van de gemeentelijke museumcommissie geopperd idee om in een toekomstig museum een afdeling geheel te wijden aan de textielnijverheid. De rijkscommissie was bereid de minister te adviseren om de in de rijksverzamelingen aanwezige voorwerpen die op de weefkunst betrekking hadden, hiervoor beschikbaar te stellen.

De uiteindelijke conclusie van de museumcommissie was, dat men eerst nog het een en ander moest onderzoeken en verzamelen. Tenslotte deed men nog de aanbeveling om in een eventueel op te richten ´industrieele museum´, daar wel een oudheidkamer aan te verbinden. Tevens deed de commissie de aanbeveling een ´Vereeniging tot oprichting en instandhouding van een museum´ in het leven te roepen, een zogenaamd ´Museumfonds´ te creëren, ten einde door middel van gemeentelijke en particuliere bijdragen een collectie samen te stellen van eigentijdse Noordbrabantse schilderkunst. Tenslotte stelde de commissie voor de ruimtelijke voorwaarden te scheppen voor een adequate expositie van dit alles. Daarna viel er een grote stilte rond dit ´industrieele museum´.(4)


Collectievorming
De bekende amateur-historicus en raadslid Lambert G. de Wijs, heeft zich in die jaren bijzonder ingespannen om vele voorwerpen met betrekking tot de geschiedenis van de stad te verwerven om onder te brengen in een toekomstig museum. In de kranten van 1928-1929 lezen we regelmatig dat er weer, door tussenkomst van De Wijs, schenkingen ´voor ´t museum´ werden gedaan. Veel objecten zijn in de loop der jaren verloren gegaan. Sommige zijn uiteindelijk terechtgekomen in de collecties van het Regionaal Historisch Centrum Tilburg en het Nederlands Textielmuseum.
De ingezamelde voorwerpen werden destijds opgeslagen in het voormalige stadhuis aan de Markt.

Image

Op oude foto´s is te zien dat onderdelen van een weefgetouw kriskras waren geplaatst in het archiefdepot. Een aantal zaken is sindsdien nog wel eens gebruikt voor tijdelijke tentoonstellingen. Zo werd in december 1928 in de foyer van de N.K. Harmonie in de Stationsstraat de tentoonstelling ´Het Brabantse landschap en oudheden´ gehouden, waar onder andere ook enkele voorwerpen uit de museumcollectie te zien waren. De opbrengst van de expositie werd besteed voor een aankoop voor het toekomstig museum, een ets van Andreas Schotel.(5)

Image

De museale collectie bestond niet alleen uit schenkingen, maar er werden ook aankopen gedaan. Daarbij was vooral de categorie Tilburgse kunstenaars interessant. In 1921 kocht de gemeente 47 tekeningen en aquarellen van J.A. Knip (1777-1849) voor prijs van f 200.(6)

Image

Een Zwitsers landschap uit 1827 van dezelfde kunstenaar, werd in 1925 voor f 160 aangekocht.(7) Twee jaar later, in 1927 zijn nog twee gouaches van zijn neef Henri Knip (1819-1905) aangekocht voor de prijs van f 150.(8) In 1923 werd met de aanvaarding van twee prenten met betrekking tot het overlijden van koning Willem II in Tilburg de kiem gelegd voor een bijzondere collectie van 286 prenten en tientallen penningen en schilderijen die over deze vorst in het Gemeentearchief bewaard worden. Deze collectie is onverbrekelijk verbonden met de naam van F.W.G. Théonville, afkomstig uit Tilburg, van A.J. van Huffel´s Antiquariaat te Utrecht. Hij schonk vanaf het eind van de jaren veertig tot in de jaren zestig aan de stad Tilburg zeker honderd prenten en andere bescheiden met betrekking tot koning Willem II (hetgeen hem in 1950 de grote zilveren legpenning van de gemeente opleverde).(9) Ter gelegenheid van het feit dat koning Willem II op 17 maart 1949 honderd jaar daarvoor te Tilburg overleed, werd in het Paleis-Raadhuis een grote ´Koning Willem II-Tentoonstelling´ gehouden. Het overgrote deel van de tentoongestelde prenten (133 stuks) en enige schilderijen, sculpturen en penningen waren afkomstig uit de collectie van de gemeente Tilburg.(10)

Image

De hele museumkwestie begon echter langzaamaan op dood spoor te geraken. Een laatste poging om aandacht te besteden aan deze zaak, werd in 1929 ondernomen met de ´Nederlandsche Folkloreschouw´, een groot spektakel met een folkloristische optocht door de stad en een ´Folklore-Museum en Oudheidkundige Tentoonstelling´. Deze omvangrijke tentoonstelling, met ruim 900 inzendingen uit heel Nederland, werd ingericht in de panden Zomerstraat 18, 20 en 22. De gemeente Tilburg deed 66 inzendingen. Enkele boeken, zoals ´Brabantia Mariana´ en ´Tilburgsche almanakken 1840-1846´ en enkele prenten van bv. Markt en Heuvel zijn nu nog aanwezig in de collecties van het Gemeentearchief. Verschillende voorwerpen zijn eveneens traceerbaar in de collecties van het Gemeentearchief (bv. Begrafenis bussel, stempels en zegels gemeente Tilburg, klepper van de klepperman etc.) en het Nederlands Textielmuseum.(11)

Image Image

Image

In 1931 nam de gemeente deel aan de oprichting van een Volkenkundig museum en een Natuurhistorisch museum. Burgemeester en wethouders deelden de gemeenteraad toen mede dat ´noch voor een algemeen oudheidkundig museum, noch voor een textielmuseum met annex oudheidkamer, noch voor een museum van moderne Noordbrabantsche schilderkunst zoodanige vooruitzichten aanwezig (werden) geacht, dat reeds op korte termijn een belangrijk project zou kunnen verwezenlijkt worden.´(12) Op de zolder van het op 27 april 1936 in gebruik genomen ´Nederlandsch Volkenkundig Missiemuseum´ aan de Paleisstraat, werd de door aankoop en vooral door schenking steeds uitgebreide ´verzameling van oude voorwerpen en schilderijen´ opgeslagen in afwachting van het historisch museum. In hetzelfde gebouw was sinds 1935 ook het Natuurhistorisch Museum gehuisvest. In 1954 werd de kleine verzameling overgebracht naar de tweede etage van de afdeling bevolking van de gemeente aan de Markt. In de loop der jaren is de collectie stukje bij beetje toevertrouwd aan de gemeentearchivaris, onder wiens hoede deze nog steeds berust. Alleen de objecten op textielgebied zijn in de jaren vijftig en later overgebracht naar het Nederlands Textielmuseum.

Het Nederlands Textielmuseum
In het begin van de jaren vijftig ontstaat bij het provinciebestuur van Noord-Brabant de behoefte het provinciaal museum- en tentoonstellingswezen te bevorderen. Op 18 juli komt het provinciebestuur met een plan. Er was een tekort aan expositieruimten in de grote gemeenten en ´In nieuwe expositieruimten zouden, door bruiklenen van de grote musea, regelmatig tentoonstellingen gehouden kunnen worden. Daarnaast zou gestreefd kunnen worden naar de verzameling van specifieke eigen collecties; een te vormen provinciale centrale instantie zou voor een afbakening van de verzamelgebieden moeten zorg dragen, terwijl zij tevens het organiseren en het vlotte rouleren der tentoonstellingen dient te regelen´. Cultuurwethouder G. Appels had wel oren naar uitbreiding van tentoonstellingsruimte, vooral voor de in de belangstelling staande tentoonstellingsactiviteiten die de Kunstkring Tilburg in die jaren ontplooide.(13) In de vergadering van 21 april 1953 besluiten Burgemeester en Wethouders, bijgestaan door een adviseur om geen ´schilderijen museum´op te richten, maar ´ons museum op de textiel te richten´.(14) Een jaar later, op 30 juni 1954, installeerde het college van Burgemeester en Wethouders een ´Commissie van voorbereiding textielmuseum´, die op 23 augustus 1954 de ´nota inzake de oprichting van een textielmuseum in Tilburg´ uitbracht. Hierop vooruitlopend kocht de gemeenteraad op 16 november 1954 voor dit toekomstig museum 800 zeldzame boeken op het gebied van de textielververij en -drukkerij.(15)

Image

ver de moeizame totstandkoming van het (Nederlands) Textielmuseum heeft Erik Besseling uitvoering in zijn dissertatie aandacht geschonken.(16) Op 26 mei 1956 was de oprichting van de ´Stichting Textielmuseum Tilburg´ een feit. Twee jaar na de oprichting van die stichting is op 24 mei 1958 het museumgebouw aan de Gasthuisring geopend. De oprichting van dit Textielmuseum betekende ook de verwezenlijking van een deel van de aanbevelingen van de museumcommissie uit 1927.

Het legaat Van Vollenhoven
Op 11 november 1958 overleed de Tilburgse oliehandelaar Jacobus van Vollenhoven (geb. Oosterbeek 1871). Hij legateerde aan de gemeente een collectie schilderijen, boeken, gravures en kunstvoorwerpen die in feite niets met (de geschiedenis van) Tilburg te maken hadden, maar, zo stelt de gemeenteraad, ´Deze goederen … vormen een belangrijke aanwinst voor het kunstbezit van de gemeente´ en ´uit erkentelijkheid jegens de overledene voor zijn grote daad van burgerzin´ wordt het legaat in dank aanvaard en werd in 1960 zelfs, op verzoek van de legataris, een straatnaam naar hem genoemd. Van de gemeentearchivaris drs. H.J.A.M. Schurink werd verwacht een voorstel te doen voor de definitieve bestemming van de collectie Van Vollenhoven. Hij trekt al snel zijn conclusies: De meeste familieportretten hebben betrekking op het uitgestorven geslacht Van Maanen-van Overzee en ´Van enig historisch verband met Tilburg is … in ´t geheel geen sprake: de Van Vollenhove´s komen uit Rotterdam, de Van Maanen´s uit Den Haag. Mijns inziens zouden deze schilderijen dan ook beter op hun plaats zijn geweest in de historische verzamelingen van genoemde steden, ofwel in de iconografische collectie van het Centraal Bureau voor Genealogie in Den Haag´. En zo gaat de archivaris door. Hij geeft geen oordeel over kunstwaarde, dat laat hij graag over aan ´meer competente personen´. Vier schilderijen (o.a. van Gerard Dou, genre Rembrandt en een van Herman Moerkerk) ´zouden zeker een plaats waard zijn in het toekomstige stedelijk museum´.(17) De boeken, (religieuze) prenten en manuscripten konden volgens hem, zolang het college er nog geen betere bestemming voor mocht weten, voorlopig wel in het gemeentearchief worden opgeborgen. De grote schilderijen zouden misschien op de kamer(s) van burgemeester, gemeentesecretaris en de wethouders kunnen worden opgehangen, ´om de materiële toestand der schilderijen niet te veel te schaden´, want plaats had hij er ook niet voor. De toonzetting is duidelijk, de gemeentearchivaris zat er duidelijk mee in zijn maag.(18) Dit verhaal is illustratief voor het adhoc beleid van de gemeente Tilburg dat altijd gevoerd is. Blijkbaar was er nog steeds een stille hoop dat er ooit een stedelijk museum zou komen en werd er, als het zo uitkwam of als het aan kwam waaien, wel gecollectioneerd.


De beleidsnota ´Op weg naar een archiefbeleid´, 1977
Ambtelijk bleef het aanmodderen. Een echt beleid inzake beheer en acquisitie van een oudheidkundige verzameling ontbrak. In 1976 werden besprekingen gevoerd tussen de gemeentearchivaris en de chefs van de toenmalige secretarie-afdelingen VII (interne zaken) en X (cultuur) over het beheer van de oudheidkundige verzameling en het beheer van de gemeentelijke schilderijenverzameling. Het college van Burgemeester en Wethouders zou op 22 december 1976 het ambtelijk advies opvolgen en besloot:

1. ´Aan de archivaris opdragen de zorg en het beheer van de oudheidkundige verzameling (voorwerpen van archeologische aard inbegrepen); de zorg van het beheer van de topografische en historische werken; de uitvoerende taak inzake de archeologie; het treffen van voorbereidingen voor een gemeentelijke oudheidkamer; het doen van voorstellen voor de bemanning van een adviescommissie van deskundigen.´
2. ´Aan de gemeente-secretarie, afd. 7 opdragen de zorg van het beheer van de moderne werken.´(19)

Op 19 augustus 1977 brengt de gemeentearchivaris drs. J.N.T. van Albada het gevraagde rapport ´Notities betreffende een oudheidkamer - een oudheidkundige afdeling van een Tilburgs museum´ uit.(20) De belangrijkste conclusies en aanbevelingen hieruit zijn:
1. Na het schetsen van de museale perikelen sinds de jaren twintig, concludeert hij dat delen van de aanbevelingen van de vroegere museumcommissie zijn uitgevoerd (o.a. een Textielmuseum) maar dat de doelstellingen van de commissie niet zijn verwezenlijkt.
2. Er was weinig bekommernis voor de oudheidkundige verzameling, die nauwelijks werd uitgebreid (´geld voor een behoorlijke opbouw werd ofwel niet gevraagd ofwel niet gegeven´) en uiteindelijk een kwijnend bestaan op de zolder van het Paleis-Raadhuis ging lijden.
3. Binnen de gemeente Tilburg heeft de oudheidkundige verzameling van de gemeente een plaatselijke betekenis. Daarentegen kent hij de verzamelingen Midden-Steentijd (m.n. in particuliere handen), de collectie volksdevotionalia (paters M.S.C.) een landelijke betekenis toe, en de collecties kunstbezit van de Tilburgse parochies een landelijke/plaatselijke betekenis en de collectie gildenschatten tenslotte een landelijke/provinciale betekenis.
4. Voor zover bekend dateren de meeste historische overblijfselen betreffende Tilburg uit de 16e eeuw en later, maar voornamelijk uit de 18e eeuw en later. Er is wel een omvangrijke archeologische collectie, maar het is ´onjuist deze als Tilburgs te betitelen: zij behoren tot een beduidend groter kultuurgebied´.
5. De meeste gemeenten die in de jaren twintig door de museumcommissie zijn benaderd om te participeren in een museum, hebben inmiddels oudheidkundige musea/oudheidkamers opgericht. Wellicht zijn die in ´stadsgewestelijk´ verband nu te interesseren in samenwerking, ´zeker voor een prehistorische afdeling daarvan´ en ´Mogelijk bestaat bij hen ook belangstelling voor deelname aan een industrieel museum´.
6. Binnen een te realiseren museum-complex zouden er ook andere ruimten moeten worden ingericht, bv. voor artotheek, openbare bibliotheek, tapisserie en damastweverij etc. Maar daaraan voorafgaand dient eerst een museumbeleid voor Tilburg en omgeving ontwikkeld te worden.
7. Er zou ook ruimte moeten komen voor de particuliere gildenschatten (´Het recente verleden heeft uitgewezen dat de gemeente bij de bewaring van deze schatten een belangrijke rol speelt´) en in een centraal museum zou ook een industrieel museum kunnen komen (naast ´Textielmuseum annex Tapisserie en damastweverij ook de toeleveringsbedrijven van de textielindustrie, waartoe ook het agrarisch bedrijf kan worden gerekend´).
8. Gedeelten van verzamelingen zouden ook elders tot hun recht kunnen komen.
9. De huidige verzameling kan worden uitgebreid door aankoop, bruikleen en schenking. Voorwaarde is het beschikbaar stellen van een budget en een zodanige ruimte dat bruikleengevers en schenkers kunnen zien dat de gemeente het ´haar met haar voornemens menens is´. Drie afdelingen zouden moeten worden opgericht: 1. Prehistorie, 2. Middeleeuwen (resultaten van opgravingen en mogelijk voorwerpen uit kerkelijk bezit), 3. 16e-20e eeuw (schilderkunst, beeldhouwkunst, bouwkunst, kunstnijverheid en folklore).
10. Voorwaarde voor het welslagen van een dergelijke afdeling is de aanwezigheid van deskundigheid, middelen en ruimte. Een centraal museum heeft een tot twee deskundigen nodig. De eerste aankopen en mogelijke restauraties kunnen worden bekostigd uit het door de gemeentearchivaris gevraagde kapitaalskrediet van f 50.000 [vanaf 1978 gevoteerd].
11. Voorlopig wisseltentoonstellingen organiseren, bv. in het Textielmuseum (waar al algemene deskundigheid en hulppersoneel aanwezig is). Onderdelen van verzameling in andere gebouwen, bv. Oliemeulen, Tongerlose Hoef of kerk van het Goirke.
12. De huidige collectie rechtvaardigt geen permanente tentoonstelling. De belangrijkste schilderijen hangen in de bestuursvleugel. Een verantwoorde collectie opbouwen kan pas als een beleidsplan ten aanzien van de musea is vastgesteld. Dus nu nog geen oudheidkamer inrichten.
13. ´Mocht er geen museum komen met een oudheidkundige afdeling dan zal veel materiaal verloren gaan en wordt de kultuur in Tilburg onherstelbaar schade toegebracht´.

Image

In zijn beleidsnota ´Op weg naar een archiefbeleid. Gedachten over taak en plaats van de archiefdienst in de gemeente Tilburg, 22 september 1977´ verwoordt de gemeentearchivaris dit nog eens als volgt:
1. ´De archiefdienst en oudheidkundig bodemonderzoek. De eigenlijke taak van de archiefdienst wordt uitgebreid met de coördinatie van en zo nodig de uitvoering van oudheidkundig bodemonderzoek. De archivaris zal daarnaast zorg dragen voor conservatie en restauratie van die objecten die naar de archiefbewaarplaats worden overgebracht. Zonodig zal hij door anderen opgegraven objecten ten behoeve van de gemeentelijke verzameling trachten te verwerven.´
2. ´De archiefdienst en de gemeentelijke oudheidkundige verzameling. De eigenlijke taak van de archiefdienst is al geruime tijd uitgebreid met het beheer van de gemeentelijke oudheidkundige verzameling. Ten behoeve van deze verzameling zal de archivaris objecten verwerven die van belang zijn voor het kennis nemen van het culturele bestand aan realia, voor zover zij niet door de andere in Tilburg werkzame musea worden gecollectioneerd. Hij zal door conservering en restauratie van in de verzameling aanwezige objecten er voor zorg dragen dat deze tegen verval worden behoed.´(21)

Image

innen de afdeling Archieven en collecties was er een sectie Historisch-topografische atlas en museumcollectie en er was een afdeling Restauratie-atelier ´De Tiendschuur´ aan het archief verbonden. De afdeling Archeologie ´De Oliemeulen´ kwam er aan. Dus er was sprake van bemensing en enige middelen om bovengenoemde taken te kunnen vervullen.

De opgraving van het kasteel van Tilburg en de vorming van een archeologische verzameling

Image Image

Op 9 november 1977 voteerde het college van Burgemeester en Wethouders twee kapitaalskredieten ten laste van de begroting 1978, namelijk f 100.000 ten behoeve van diverse oudheidkundige- en bodemonderzoeken en f 50.000 ten behoeve van het verwerven van een oudheidkundige verzameling (voor een toekomstige ´oudheidkamer/streekmuseum´). Op 10 mei 1978 wordt er een besluit genomen om tijdelijk een stadsarcheoloog aan te stellen met als hoofdopdracht het verrichten van een opgraving naar het voormalige, reeds in de 15e eeuw vermelde, kasteel van de heren van Tilburg en Goirle aan de Van Bylandtstraat. Drs. Henk Stoepker en enkele medewerkers verrichtten met succes tussen 1978 en 1980 een grootscheepse opgraving waarbij duizenden vondsten werden geborgen. Maar hij deed meer. Aan de Reitse Hoevenstraat werd het ´Oudheidkundig Centrum De Oliemeulen´ als kantoor, opslag- en expositieruimte ingericht. Vele noodopgravingen in Tilburg en omgeving (het werkterrein lag binnen het toenmalige Stadsgewest Tilburg) vonden onder zijn leiding plaats.

Na het beëindigen van zijn (verlengd) dienstverband in 1984 liet Stoepker niet alleen een boek na over de opgravingsresultaten van het kasteel, maar ook een gedetailleerde documentatie van dossiers, foto´s, dia´s en kaartmateriaal over de archeologie van Midden-Brabant en een omvangrijke archeologische verzameling.(22) Ook het ´Oudheidkundig Centrum De Oliemeulen´ (onderdeel van het Gemeentearchief) werd, bij gebrek aan verdere middelen, opgeheven. De archeologische verzameling, vitrines en displaypanelen en de wetenschappelijke documentatie kregen een plaats in het Gemeentearchief. Deze collectie nam dermate veel kostbare meters in beslag die eigenlijk bedoeld waren voor de berging van archivalia, dat de gemeentearchivaris in 1991 besloot alle bruiklenen van vondsten die niet afkomstig waren van het grondgebied van de gemeente Tilburg retour te geven. Bovendien werd met de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek afgesproken dat zeker 1000 dozen met vondsten afkomstig van de opgraving van het kasteel van Tilburg in bruikleen zouden worden gegeven aan het provinciale archeologische depot van de ROB, gevestigd in het Noordbrabants Museum te ´s-Hertogenbosch. Totaal werd hierdoor meer dan 250 strekkende meter planklengte gewonnen. Ongeveer 200 ´exposabele´ vondsten van het kasteel zijn nog in Tilburg achtergebleven. Wat nog verder van de archeologische collectie over is, is een grote collectie vondsten uit de Midden-Steentijd (afkomstig van opgravingen in het Lepelare Zand en Industrieterrein-Noord Kraaiven; de laatste is de aangekochte collectie Melis), enkele urnen uit de Brons- en IJzertijd, opgegraven 17e-eeuws huisraad uit een kempisch huis in de Molenstraat (molenhuis) en nog wat losse vondsten van verschillende vindplaatsen.(23) De ´archeologische taak´ zoals die in 1978 aan het Gemeentearchief door het college van Burgemeester en Wethouders werd toebedeeld, bestaat in zekere zin nog steeds, maar de intermediairfunctie tussen gemeente en Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek, voortvloeiende uit bepalingen in de Monumentenwet (namelijk doorgeven van vondstmeldingen; entameren van opgravingen), is langzaamaan overgegaan naar het bureau monumentenzorg van Publieke Werken (thans Stadszaken). Een in 1992 door dat bureau aangekondigde nota archeologiebeleid is (nog) niet verschenen.


De museumnota van 1980
In de 1980 brengt de gemeente, naar aanleiding van de ministeriële nota ´Naar een nieuw museumbeleid´ (1976) een eigen museumnota uit.(24) Daarin wordt samengevat wat in beleidsnota´s met betrekking tot musea en verzamelingen tot dan toe geschreven was en wat de beleidsvoornemens van de bestaande musea zijn. Vervolgens wordt er ingegaan op de mogelijkheden tot optimalisering van het Tilburgse museumbestel en er worden tenslotte enkele beleidsvoornemen uitgesproken.

Wat de beeldende kunst betreft, wordt aangegeven dat de gemeente Tilburg daarvoor weliswaar geen museum heeft maar wel een collectie. De zorg over die collectie is door Burgemeester en Wethouders gedelegeerd aan het Nederlands Textielmuseum (textilia), de afdeling Interne Zaken van de Gemeentesecretarie (kunstwerken welke zich in het gemeentehuis bevinden), het Gemeentearchief (schilderijen en kunstvoorwerpen die op een of andere wijze verband houden met Tilburg en zijn geschiedenis), de Sociale Dienst (beeldende kunst die via de Beeldende Kunstregeling in het bezit van de gemeente komt), het Kultureel Sentrum (heeft met steun van de gemeente kunstwerken aangekocht ten behoeve van de kunstuitleen) en het Bedrijf der Publieke Werken (belast met de zorg van de kunstobjecten van de gemeente die buiten zijn opgesteld).(25)

Een afzonderlijke paragraaf wordt gewijd aan de oudheidkundige verzameling, aanwezig bij de Tilburgse musea en bij het gemeentearchief.(26) Verwezen wordt naar voorwerpen die betrekking hebben op de textielindustrie, maar ook andere historische overblijfselen, voornamelijk uit de 18e, 19e en 20e eeuw. Het grote aantal prehistorische vondsten wordt ´niet typisch Tilburgs´ genoemd omdat ´zij behoren tot een beduidend groter cultuurgebied´. Binnen de gemeente Tilburg bevinden zich nog andere collecties die van cultuurhistorisch belang worden geacht, namelijk de gildenschatten, de collectie van de Missionarissen van het Heilig Hart (M.S.C.) en het kunstbezit van de Tilburgse parochies (vooral Goirke en Heike). Daarnaast zijn er particuliere schilderijenverzamelingen met werken betreffende Tilburg en werken van schilders die uit Tilburg afkomstig zijn.

Om te komen tot een optimaal museumbestel, worden er twee richtingen aangegeven: ´enerzijds de mogelijkheden scheppen voor een verdere uitbouw van de bestaande musea, anderzijds het vergroten van de variatie door het exposeren van de gemeentelijke kunstcollecties en oudheidkundige verzamelingen. Uitgangspunt is dat de collecties zodanig gebruikt worden dat een groter gedeelte van de Tilburgse bevolking daarvan een beter profijt kan trekken. En niet alleen de Tilburgse bevolking. Het belang van verschillende musea gaat dat voor Tilburg alleen ver te boven.´
´De getuigenissen van de geschiedenis van de stad, die in het bezit zijn van de gemeente´, mogen volgens de nota ´niet langer in het verborgene blijven opgeslagen. De Tilburgse bevolking heeft er recht op daar op zinvolle wijze kennis van te nemen. Een mens die zich niet bewust is van zijn geschiedenis kan geen geëigende vorm geven aan zijn toekomst. Het is daarom nodig een ruimte aan te wijzen waar een expositie kan worden ingericht van voorwerpen welke betrekking hebben op de historie van de stad eventueel geïntegreerd in het typische textielverleden. Daarnaast is er behoefte aan een tentoonstellingsruimte waar onze inwoners hun verzamelingen aan anderen kunnen tonen. Het is voor de gemeente ook van belang te weten welke verzamelingen zich in handen bevinden van particulieren die in Tilburg wonen. De waardevolle voorwerpen uit dit bezit zouden moeten worden geregistreerd. Er zou met de bezitters van die voorwerpen welke voor Tilburg van belang zijn een overeenkomst kunnen worden gesloten waarbij de gemeente bij afstoting van het bezit het eerst verwervingsrecht krijgt. Een en ander zal nader onderzocht worden.´(27)

In de beleidsvoornemens wordt aangegeven dat aan de uitbouw van het Nederlands Textielmuseum de allerhoogste prioriteit wordt gegeven en dat de andere musea voorlopig een pas op de plaats zullen moeten maken. Geconcludeerd werd dat de geschiedkundige collectie van de gemeente Tilburg niet zo groot is, maar het zou wel mogelijk zijn deze in de komende jaren aan te vullen met voorwerpen uit de 19e en 20e eeuw door aankoop, in bruikleengeven of door schenking en ´De bevolking zal hiertoe eerder bereid zijn als ze kan zien dat het geëxposeerd wordt.´ De tentoonstellingsruimte van ´De Oliemeulen´ wordt daarvoor niet de meest geschikte geacht, want ´voor het voorbereiden en organiseren van tentoonstellingen, andere dan archeologische, kan door de archeologische afdeling geen deskundige medewerking worden verleend.´ Verder dient onderzocht te worden of het ´beheer van de cultureel-historische collectie opgedragen kan worden aan het Nederlands Textielmuseum dat immers de benodigde museale kennis heeft en reeds een oudheidkamer heeft ingericht. Het Textielmuseum zou dan tevens kunnen worden gevraagd te zorgen voor een deskundige inbreng bij het opzetten en organiseren van tentoonstellingen in de Oliemeulen.´(28)
En daar bleef het bij. De museumnota werd door de gemeenteraad aangenomen. De afdeling Archeologie en het Oudheidkundig Centrum ´De Oliemeulen´ verdwenen geruisloos toen de geldkraan werd dichtgedraaid. Het gemeentearchief bleef met het koekoeksei zitten.


Het tentoonstellingsbeleid van het Regionaal Historisch Centrum Tilburg
Vanaf eind 1979 tot heden voert het gemeentearchief een actief en succesvol tentoonstellingsbeleid al dan niet in samenwerking met derden. Doel was en is om met behulp van de eigen collecties archivalia, foto´s, documentatie, maar ook de oudheidkundige- en schilderijenverzameling, het publiek kennis te laten nemen van vele aspecten van de geschiedenis van Tilburg. Daarmee heeft het gemeentearchief in de rol als educatief historisch centrum, zich een bijzondere eigen positie verworven binnen het cultuurveld van de stad. In december 1980 werd voor de eerste keer, als direct uitvloeisel van de recente Museumnota, uit de verzameling schilderijen en oudheidkundige voorwerpen een overzichtstentoonstelling georganiseerd in het toenmalige Kultureel Sentrum onder de titel ´Kunst & Kuriosa uit het bezit van de gemeente Tilburg´.(29)

Image Image

ele tientallen tentoonstellingen zouden volgen. Binnen de begroting van het gemeentearchief is voor de activiteiten tentoonstellingen en educatie op dit moment f 20.000 opgevoerd. Het bedrag dat overblijft voor de organisatie van tentoonstellingen is ongeveer f 12.000. Hiermee kunnen drie tentoonstellingen per jaar in eigen beheer, of een tentoonstelling per jaar door externe vormgever/tekstschrijver worden samengesteld. Voor begeleidende catalogi is nooit budget geweest. Er is ook geen extra formatie beschikbaar. De personele inzet van het gemeentearchief valt binnen de reguliere werkzaamheden en het ontbreekt aan voldoende expertise.

Image

De beleidsnota ´Toekomstig verleden´, 1991
In 1991 kwam er een nieuwe beleidsnota tot stand: ´Toekomstig verleden. Archiefbeleid in Tilburg 1991-2001´, geschreven door gemeentearchivaris drs. G.J.W. Steijns. Daarin worden uitgangspunten geformuleerd die thans nog gelden als statements voor het vigerende beleid. Een belangrijke ontwikkeling die daarin wordt geschetst, is het ´Geleidelijk groeien en bekend raken van de rol van het Gemeentearchief als historisch-documentair en -educatie centrum, en als alternatief voor een niet bestaand stedelijk historisch museum´. En verder toegelicht: ´In feite is er sprake geweest van een onuitgesproken legalisering van de huidige praktijk op dit punt als bestaand beleid. Het heeft in ieder geval geleid tot een betere profilering van het Gemeentearchief in de richting van de toekomstige gebruikers. Het heeft anderzijds ook geleid tot onduidelijkheid met betrekking tot het onderscheid tussen de documentaire en beheerstaken. Met name doet zich dit voor ten aanzien van gemeentelijk (kunst)-historisch bezit dat (nog) niet of niet meer in eigen huis is ondergebracht, en in relatie tot de bevoegdheden van het Gemeentearchief op het terrein van het archeologisch onderzoek.´(30)

Image

De rol die het Gemeentearchief vervult is duidelijk: ´Het Gemeentearchief heeft de afgelopen twee decennia geleidelijk aan een functie gekregen die elders wel wordt vervuld door het plaatselijk historisch museum of de oudheidkamer. Er werden vanouds al historische voorwerpen beheerd die normaliter niet bij een archiefdienst aangetroffen worden (bijvoorbeeld de archeologische collectie en geschilderde portretten van Tilburgers). Deze ontwikkeling is met het opheffen van het Oudheidkundig Centrum ´De Oliemeulen´ en de inperking van de verzameling van het Nederlands Textielmuseum tot alleen maar voorwerpen van landelijk belang, alleen maar versterkt.(31) Een groot aantal van oorsprong tot de gemeentelijke oudheidkundige verzameling behorende stukken zal daar, hoewel ze illustratief zijn voor het verleden van Tilburg, waarschijnlijk toch niet meer aan die nationale criteria kunnen voldoen en terug moeten keren naar de oorspronkelijke beheerder of instigator van een schenking: de gemeentearchivaris.´(32) Het beleidsplan komt met betrekking tot dit onderwerp niet verder dan constateringen, probeert bestuurlijke uitspraken te ontlokken, maar geeft geen concreet plan van aanpak.

Particuliere initiatieven
Er zijn in het verleden enkele particuliere initiatieven geweest om te komen tot de oprichting van een stedelijk museum in welke vorm dan ook. Zo´n twee jaar geleden was een werkgroep actief om een museum in de op de nominatie voor sloop staande Hasseltse kerk onder te brengen. Het belangrijkste item dat naar voren kwam was de collectie kerkschatten die her en der in de kerken aanwezig waren daar onder te brengen. Degene die met dit idee kwam, was tevens de restaurator van kerkschatten van de kerk van ´t Heike.
Ook de Tilburgse gilden willen hun historische voorwerpen (o.a. gildenzilver, handbogen, vaandels, gildenkist etc.) op een goede plek onderbrengen. Binnenkort verschijnt er een nota van de Stichting Gildenschat waarin het ´gemeentelijk patronaatschap van de gilden´ en derhalve ook de betekenis van de gildenschat voor de gemeenschap aandacht krijgt.

Door sluiting van vele Tilburgse bedrijven kwamen historische collecties beschikbaar. Die van textielbedrijven zijn vanzelfsprekend in het Nederlands Textielmuseum terecht gekomen. Maar voor andere bedrijfstakken is nergens plaats. Zo is de unieke collectie muziekinstrumenten en -gereedschappen van de Muziekinstrumentenfabriek Kessels in een particulier museum ondergebracht.(33) Het meest recente initiatief is ontstaan naar aanleiding van de sluiting van de Volt-fabriek. De uitgebreide collectie van producten (de archieven en foto´s zijn ondergebracht in het Philips concernarchief en het Regionaal Historisch Centrum Tilburg) werd tentoongesteld in het Regionaal Historisch Centrum Tilburg (mei-september 1999). Een Stichting i.o. wil zich sterk maken voor een industrieel museum in Tilburg, waarin onder andere deze collectie een plaats kan vinden. Gedacht is aan de voormalige kerk/metaalgieterij/supermarkt Jumbo aan de Piushaven.(34)

Image

Noordbrabants Museum ´s-Hertogenbosch
Het Noordbrabants Museum te ´s-Hertogenbosch is een door onder andere de provincie gesubsidieerde instelling. Al jaren wordt hier het beleid gevoerd om de cultuurhistorische nalatenschap van de provincie op een museale wijze te beheren en te exposeren. Daar hoort ook Tilburg bij. Een grote archeologische collectie afkomstig uit Tilburg (meer dan honderdduizend midden steentijd vondsten, collectie A.F. Janssen; en de reeds hiervoor genoemde vondsten van het kasteel van Tilburg) is daar ondergebracht. In de museale opstelling prijken kostbare werken van de uit Tilburg afkomstige 18e-eeuwse kunstschilders familie´s Knip en Van Spaendonck. Enkele jaren geleden werden vele schilderijen uit het bezit van prof.dr. H.J.F.M. van den Eerenbeemt, waarvan er enkele vele jaren in bruikleen bij de gemeente Tilburg zijn geweest, door hem te koop aangeboden. De gemeente Tilburg heeft niets gekocht. Het Noordbrabants Museum kocht deze belangrijke historische werken uit 17e en 18e eeuw echter wel. Het betreffen portretten graven Van Hogendorp heren van Tilburg, pastorie Huize Moerenburg, aquarellen J.A. Knip en het portret van kunstschilder Gerard van Spaendonck.(35)
Reeds eerder zijn uit de collectie Van den Eerenbeemt drie historische portretten van Norbertijnen (afkomstig van parochie Goirke) aangeboden en uiteindelijk verkocht aan de Norbertijnen van de parochie Heikant.


NOTEN
1. Gegevens over de voorgeschiedenis zijn te vinden in dossier ´Oudheidkamer/museum´, dat in het Regionaal Historisch Centrum Tilburg berust.
2. Rapport der Museumcommissie te Tilburg (Tilburg, z.j. [1926]).
3. Rapport der museumcommissie, bijlage III, brief d.d. 6 januari 1927.
4. Zie ook Regionaal Historisch Centrum Tilburg (GAT), ´Wat men over een Tilburgsch museum zooal schreef´, krantenknipselboek in map ´Oudheidkamer/museumvraagstuk´.
5. Nieuwe Tilburgsche Courant van 14 december 1928. De ets (twee Brabantse boerderijen) bevindt zich in de collectie van het GAT. Zie dossier kunstbezit nr. 3.03.
6. GAT, dossier kunstbezit nr. 4.99; Fransje Kuyvenhoven met medewerking van Ronald Peeters, De familie Knip. Drie generaties kunstenaars uit Noord-Brabant, (Zwolle, 1988).
7. GAT, dossier kunstbezit nr. 4.04.
8. GAT, dossiers kunstbezit nr. 3.05 en 4.01.
9. GAT, dossier ´Collectie koning Willem II´ door Paul van de Sande (1987).
10. Catalogus van de Koning Willem II-Tentoonstelling in het paleis-Raadhuis te Tilburg 12-20 Maart 1949 (Tilburg, Stichting Koning Willem II-Herdenking, 1949). Bibl. GAT, nr. 3441/23.
11. Officieele catalogus van de Nederlandsche Folkloreschouw te houden te Tilburg 20 juli-5 augustus 1929, m.n. p. 83-84 (inzending gemeente Tilburg). Bibl. GAT, nr. 2547; GAT, dossiers kunstbezit diverse nummers.
12. Handelingen en Bijlagen van de gemeenteraad, bijlage nr. 503, Raadsvoorstel d.d. 1 augustus 1931.
13. Zie: Gabriël Smeets, ´"De liefde voor kunst en cultuur in onze stad". De Kunstkring Tilburg 1940-1969´, in: Tilburg. Tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur, jrg. 9, nummer 1, 1991, p. 4-13.
14. Eric Besseling, De musealisering van de techniek. De totstandkoming van het Museum voor Techniek en Arbeid in Mannheim, het Nederlands Textielmuseum in Tilburg en het Museum van Wetenschap en Industrie in Manchester in de periode van 1945 tot 1995, (Amsterdam, Het Spinhuis, 1996), p. 85-87.. Bibl. GAT, nr. 7821.
15. Handelingen en Bijlagen van de gemeenteraad, bijlage nr. 610, Raadsvoorstel d.d. 16 november 1954.
16. Besseling, De musealisering van de techniek, m.n. p. 85-131.
17. Het grote schilderij ´Don Quichotte de la Mancha en Sancho Panza´ van de Bossche kunstenaar Herman Moerkerk uit 1941, hangt tegenwoordig in de kamer van de directeur van de Diamantgroep van de gemeente Tilburg.
18. Handelingen en Bijlagen van de gemeenteraad, bijlage nr. 527, Raadsvoorstel d.d. 28 november 1958; Ronald Peeters, De straten van Tilburg, (Tilburg, 1987), p. 176-177. GAT, dossiers kunstbezit nrs. 1.39-1.41, 2.03, 2.04, 2.08-2.13, 5.02, 5.03, 5.05, 5.06, 5.08, 5.26, 5.26a1-a2, 8.17, 8.33 en 8.33j; Brief gemeentearchivaris aan het college van B&W d.d. 15 december 1958, nr. 5176; Zeven objecten uit de collectie Van Vollenhoven werden op 2 oktober 1961 door de gemeentearchivaris aan het Textielmuseum in (permanente) bruikleen gegeven.
19. GAT, Archief van de gemeentelijke Archiefdienst Tilburg (1904) 1936-1996, inv. nr. 02.
20. Idem.
21. GAT, Archief van de gemeentelijke Archiefdienst Tilburg (1904) 1936-1996, inv. nr. 02.
22. Verslag van de afdeling Archeologie Archiefdienst gemeente Tilburg 1 juli 1978 - 1 juli 1980; Archeologie in Tilburg en omgeving 1980-1982. Verslag van het Oudheidkundig Centrum ´De Oliemeulen´ tussen 1 juli 1980 en 1 januari 1983; Henk Stoepker, Graven naar het kasteel van Tilburg, (Waalre, 1986).
23. Nico Arts, De grote Laat-Mesolithische nederzetting Tilburg-Kraaiven, provincie Noord-Brabant. Deel I: Een overzicht van de archeologische gegevens, (Amsterdam, materiaalscriptie A.E. van Giffen Instituut voor Pre- en protohistorie Universiteit van Amsterdam, 1988); Nico Arts, Een Laat-Mesolithische nederzetting in het Lepelare Zand te Tilburg, een voorlopig verslag van de opgraving en de vondsten, (Tilburg, Gemeente Tilburg, Afdeling Archeologie - Oudheidkundig Centrum ´De Oliemeulen´, 1981); Archeologie in Tilburg en omgeving 1980-1982, p. 35-41; Henk Stoepker, ´Een kijkje in de keuken van een zeventiende eeuwse molenaar. Verslag van een opgraving aan de Molenstraat in Tilburg´, in: De Lindeboom. Jaarboek VII, (Tilburg, Archiefdienst van de gemeente Tilburg, 1983), p. 101-143.
24. Het museumbeleid van Tilburg. Formulering van eerste algemene beleidsuitgangspunten ter optimalisering van het plaatselijke museumgebeuren (Tilburg, gemeente Tilburg, 1980).
25. Het museumbeleid van Tilburg, p. 19-20.
26. Het museumbeleid van Tilburg, p. 21.
27. Het museumbeleid van Tilburg, p. 29-30.
28. Het museumbeleid van Tilburg, p. 36-40.
29. Ronald Peeters, Kunst & Kuriosa uit het bezit van de gemeente Tilburg. Kultureel Sentrum Tilburg 19-12-1980 tot en met 18-01-1981. Deze catalogus beschrijft 95 objecten.
30. Toekomstig verleden. Archiefbeleid in Tilburg 1991-2001 (Tilburg, Dienst Algemene Zaken, Gemeentearchief, 1991), p. 14.
31. ´Beperken en versterken´, beleidsplan Nederlands Textielmuseum (1991).
32. Toekomstig verleden, p. 21.
33. Luud de Brouwer, ´De Muziekinstrumentenfabriek M.J.H. Kessels en de voortzettingen daarvan´, in: : Tilburg. Tijdschrift voor geschiedenis, monumenten en cultuur, jrg. 9, nummer 4, 1991, p. 92-102.
34. Brabants Dagblad van 28 oktober 1999; Jan Trommelen en Jan van Iersel, Volt tussen gloeilamp en hoogspanningstrafo 1909-1999 (Tilburg, 1999).
35. Jaarverslag Noordbrabants Museum 1990 (´s-Hertogenbosch, Noordbrabants Museum, 1991), p. 16-17.

 
NIEUW IN HET GEHEUGEN VAN TILBURG
Appeltjes van oranje
Appeltjes van oranje
18-05-2012 06:01
Onlangs schreef ik over mijn eerste kennismaking met chocola. Dat was toen ik zes … Lees meer »

QR-codes in Tilburg
QR-codes in Tilburg
15-05-2012 07:31
Deze bijdrage aan het GvT is meer iets voor ‘ons nageslacht'. Het onderwerp is … Lees meer »