woensdag 28 maart 2018

Collectie Zwijsen: 'Voor de misdienaars. Handleiding voor de Goede Week'

Collectie Stadsmuseum Tilburg / Uitgeverij Zwijsen
Zo op Goede Vrijdag vind je zomaar ineens tussen de talloze boekjes van Uitgeverij Zwijsen een Handleiding voor de plechtigheden der Goede Week. 'Voor onze misdienaars,' zo staat er geschreven. De uitgave is van de Drukkerij van het R.K. Jongensweeshuis, daterend van 1920. Het kleine boekje bevat drie onderdelen: Witte Donderdag, Goede Vrijdag en Paasch-Zaterdag. Een instructieboekje met 31 pagina's, geen plaatjes en vooral veel tekst. 'Op eenvoudige, duidelijke wijze zijn de handelingen voor Misdienaars uiteengezet,' zo lezen we in het voorwoord van de samensteller.

'Voortdurend gescheld'
Er was een onderscheid tussen plechtigheden met drie heren en die met één heer. Tijdens Witte Donderdag met drie heren moest er onder 't Gloria in Exelcis Deo' voortdurend worden gescheld. Onder het Evangelie moest misdienaar I naar de sacristie lopen, de koorkap nemen en naar het priesterkoor lopen. Misdienaar II nam het kazuifel van de priester en hing het op aan de lessenaar of bracht het naar de sacristie. Tijdens de bewieroking haalde nummer III het schoudervelum en hing het de priester om. Ook bij de Goede Vrijdag was er een taakverdeling tussen de die misdienaren. Voor de Paaszaterdag was er een schema waar ieders plaats was achter het altaar: nummer III links van de priester, daarnaast de diaken en misdienaars I en II uiterst rechts.

Constant drie misdienaars
Al was er maar één heer, de drie misdienaars waren een constante factor tijdens de Goede Week. Wederom bij Witte Donderdag was er een instructie voor wie het wierookvat haalde, wie het processiekruis moest ophalen en wie het schoudervelum van de priester wegbracht. Bij Goede Vrijdag legde nummer I het boek open op het altaar en spreidden II en III het tapijt, dat bestemd was voor de kruisverering, uit op de onderste trede in het midden van het altaar.

Paasch-Zaterdag
Voor het verlaten van de sacristie was er een volgorde van de misdienaars: nummer I voorop met ledig wierookvat en scheepje; nummer II was de Kruisdrager en nummer III hanteerde wijwater en kwast. De protocollen blijven zich gedurende de zaterdagse Paasdienst zich herhalen. Niet zoals in een gewone H. Mis, maar enigszins afwijkend, moest nummer I ratelen als de priester de trappen afdaalde, nummer II moest schellen onder het 'Gloria' en nummer III moest zorgen voor veel wierook.

Aanhangsel
In het achterste deel van het kleine instructieboek volgde nog een aanhangsel, ofwel in korte punten de volgorde van de misonderdelen voor de Witte Donderdag, Goede Vrijdag en Paasch-Zaterdag. Of het boekje bestemd was voor de grote of de kleine misdienaars, is nergens duidelijk. Konden de jonge jongens dit anno 1920 begrijpen en onthouden? Zouden de jongens en mannen van 1920 deze protocollen uit het hoofd moeten leren? Of waren zij vertrouwd met de rituelen van in dit geval de Goede Week? Tegenwoordig zou het te tekstueel zijn, te weinig visueel en bovenal allesbehalve aantrekkelijk.

'Op het einde zegt de priester:
Ite missa est. Alleluja, Alleluja!

De drie misdienaars antwoorden gezamenlijk:
Deo gratias. Alleluja, Alleluja!'



Voor meer onderzoek:

Collectie Stadsmuseum Tilburg, Uitgeverij Zwijsen, ZE 746, Handleiding voor de plechtigheden der Goede Week (Tilburg 1920).

Geen opmerkingen: