woensdag 15 april 2015

Meubilair en vlag van Coba Pulskens


Objecten uit stadscollectie tentoongesteld
Ze zijn nog nooit vertoond, enkele bijzondere objecten uit de collectie van Stadsmuseum Tilburg. Het gaat om het authentieke interieur van de verzetsvrouw Coba Pulskens uit de Diepenstraat én een Nederlandse driekleur. In 1944, tijdens de Tweede Wereldoorlog, waren deze authentieke objecten de stille getuigen van een brutale overval, waarbij drie geallieerde piloten in Coba’s huis werden doodgeschoten. Coba Pulskens zelf, werd in kamp Ravensbrück in 1945 vermoord. De museumstukken bevinden zich al enkele jaren in het depot van Stadsmuseum Tilburg, maar worden ter gelegenheid van de Nationale Museumweek én het cultureel programma ‘Tilburg herinnert en herdenkt’, voor het voetlicht gebracht in de expositie: ‘Coba Pulskens, Icoon van Verzet’.  
 
Coba Pulskens, Icoon van Verzet
In 2008 verwierf Stadsmuseum Tilburg uit een nalatenschap het interieur van Coba Pulskens. Het bestond uit een tweedelige buffetkast, een eetkamertafel, zes stoelen en een  vijfarmige kroonlamp. Het meubilair bevond zich tijdens de Duitse overval en de moord op de drie geallieerde piloten op 9 juli 1944 in de huiskamer van Coba Pulskens aan de Diepenstraat. Er werd geschoten. In de buffetkast is  het kogelgat nog te zien. Direct na de executie van de drie piloten moest Coba een laken halen om de lichamen af te dekken. Zij toonde zich op dat moment een ware heldin en nam de nationale driekleur uit de kast. De vlag werd naderhand met zorg bewaard door Coba’s buurvrouw Anna van Eerdewijk. In 1983 werd in een kapel in Engeland een plaquette aangebracht ter herinnering aan de drie piloten en aan Coba Pulskens. De originele vlag ging mee en prijkt sindsdien in Engeland. In het jaar 2010 werd Stadsmuseum Tilburg verrast door een tweede vlag, namelijk die van Kees van Erven. Hij was degene die in juli 1944 de ziekenwagen reed na de schietpartij in de Diepenstraat. ‘s Avonds bracht hij de vlag mee naar huis. Volgens Kees’ dochter is deze vlag de enige echte.  In de expositie zijn te zien de tafel met zes stoelen, de buffetkast en de vlag die in 2010 aan Stadsmuseum Tilburg werd geschonken.
 
Vrij snel na de oorlog werd aan het huis van Coba Pulskens een gedenksteen onthuld: ‘MARIA MOEDER VAN BARMHARTIGHEID. TER EER EN TER HERINNERING AAN JACOBA PULSKENS EN ALLE GEVALLEN STADGENOTEN VAN ‘T VERZET.’ Ondanks dat ‘alle gevallenen’ werden herdacht, kregen toch ook individuen of groepen een vermelding in steen. Zo werd de student René Norenburg vermeld op een plaquette in de hal van de Rijks-HBS Koning Willem II en de verzetsstrijders die betrokken waren bij de overval op de Afdeling  Bevolking kregen een gedenkplaat ter herinnering aan het ‘ambtenarenverzet’.

Van collectieve verzetsmythe naar individuele herinnering
Het dominante beeld van de oorlogsperiode was dat van een natie in verdrukking en verzet. Een nationale verzetsmythe was na de oorlog de  grote gemene deler van de bevolking. Militairen, strijders en verzetsmensen kregen eerder een gedenkteken dan ‘gewone’ burgers. Een held sprak immers meer tot de verbeelding. Tot aan de jaren zeventig was er in de herdenkingscultuur weinig ruimte voor Nederlandse Joden, Roma en Sinti, homoseksuelen en Jehova’s getuigen. Degenen die de oorlog in  Nederlands-Indië hadden meegemaakt, speelden al helemaal geen rol. Hun verhalen pasten namelijk niet in de nationale verzetsmythe. Echter,  vanaf de jaren zeventig eisten ook deze  slachtoffergroepen de aandacht op. Collectief werden de groepen herdacht met gedenktekens: in steen gebeitelde namen en foto-overzichten. Vanaf de 21e eeuw zien we een verschuiving van formele, collectieve naar meer informele,  individuele herdenkingen. Zo zien we in de expositie bij ‘Coba Pulskens, Icoon van Verzet’ een tweede kleine expositie te zien, namelijk ‘Dubbelportret’ van Jardena Gil.

Foto Jardena Gil
Dubbelportret
Voor de herdenking 'Open Joodse Huizen' in het jaar 2014 begon Jardena Gil een historisch fotoproject. Ze verzamelde portretten van de 172 omgekomen Joodse Tilburgers. Wanneer ze geen foto vond, koos ze een silhouet. Ook die afwezige beeltenis is veelzeggend: het benadrukt het verdwijnen, waar dit kunstproject over gaat. Jardena Gil combineert elke beeltenis met een portret van het woonhuis van de betreffende persoon, om zo de persoonlijke gezichten in de stad terug te brengen. De huizen van de onderduikers verbeeldt Gil als zwart vlak: als symbool van onzichtbaarheid en duisternis. Het fotoproject is een voortdurend project. Zodra er nieuwe Joodse Tilburgse slachtoffers bekend worden, krijgen ook zij een dubbelportret en worden zij toegevoegd aan de verzameling. Silhouetten worden regelmatig  vervangen door nieuw gevonden foto's. Zo kregen in de loop van 2014 meer dan twintig Joodse Tilburgers een gezicht. In mei 2015 bestaat `Dubbelportret' uit 195 foto's van omgekomen Joodse Tilburgers met een portret van hun (onderduik)huis.